Een vrouw gaat samen met haar 14 kinderen naar de kerk.
De pastoor vraagt aan de jongste: Ное noem jij?
Hij antwoord jantje meneer. alsook het tweede, derde ,vierde t. E. M het 14 de kind noemt jantje.
De pastoor roept er de moeder bij en vraagt: Waarom noemen al je kinderen jantje? Dat is gemakkelijk wanneer ik roep jantje opstaan, dan staan ze allemaal op. Wannneer ik roep jantje eten, dan komt iedereen eten. Jantje gaan slapen en iedereen gaat slapen.
De pastoor vraagt: wat doe je dan als je één bepaald iemand nodig hebt?
Och zegt de moeder dan roep ik gewoon hun achternaam.