Er rijdt een man met zijn vrachtwagen over de snelweg en die man heeft de gewoonte Turkse lifters aan te rijden. Op een dag rijdt hij over de snelweg en hij ziet in de verte een Turkse lifter. Vlak voor de Turk zwenkt hij uit en rijdt hem helemaal aan flarden. ‘Mooi zo’ denkt hij, ‘weer een!’ Even later ziet hij een pastoor liften. De man is een goed Christen, dus hij stopt voor de pastoor. ‘Dank u vriendelijk’ zegt de pastoor. Ze rijden weer verder en de man ziet in de verte weer een Turk staan. Hij denkt potverdorie, nu heb ik die pastoor in de auto, dat kan ik niet maken. Maar ik kan hem wel even laten schrikken. Dus hij rijdt vlak voor die Turk langs, hoort hij opeens een vreselijke klap. Zegt de pastoor: ‘Ja, ik zag dat je hem zou missen, dus gooide ik gauw het portier open!’
Er rijdt een man met zijn vrachtwagen over de snelweg en die man heeft de gewoonte Turkse lifters aan te rijden. Op een dag rijdt hij over de snelweg en hij ziet in de verte een Turkse lifter. Vlak voor de Turk zwenkt hij uit en rijdt hem helemaal aan flarden. ‘Mooi zo’ denkt hij, ‘weer een!’ Even later ziet hij een pastoor liften. De man is een goed Christen, dus hij stopt voor de pastoor.
‘Dank u vriendelijk’ zegt de pastoor. Ze rijden weer verder en de man ziet in de verte weer een Turk staan. Hij denkt potverdorie, nu heb ik die pastoor in de auto, dat kan ik niet maken. Maar ik kan hem wel even laten schrikken. Dus hij rijdt vlak voor die Turk langs, hoort hij opeens een vreselijke klap. Zegt de pastoor:
‘Ja, ik zag dat je hem zou missen, dus gooide ik gauw het portier open!’