Er zijn een belg, een duitser en een nederlander. Ze gaan een vliegtuig`in en de belg gooit een zак friet naar beneden, de duitser een baksteen en de nederlander een handgranaat. Als ze even later weer uitstappen, ziet de belg een kind met een zак friet langslopen. 'Waar heb jij die zак friet vandaan?`vroeg hij. ' ik bad tot god dat ik eindelijk iets te eten zou hebben en toen viel die zак op mijnb hoofd.` antwoord de jongen. De duitser ziet een kind die huilt langslopen. `waarom huil jij?` vraagt hij. ' Ik had net een fiets gestolen en toen viel er een baksteen uit de lucht, god straft meteen`, antwoord de jongen. Als de nederlander later een giechelend meisje langs ziet lopen vraagt hij:`Waarom ben jij zo aan het giechelen?' Antwoord het meisje: 'Ik liet net een scheet en toen ontplofte er achter mij een huis.
Er zijn een belg, een duitser en een nederlander.
Ze gaan een vliegtuig`in en de belg gooit een zак friet naar beneden, de duitser een baksteen en de nederlander een handgranaat.
Als ze even later weer uitstappen, ziet de belg een kind met een zак friet langslopen. 'Waar heb jij die zак friet vandaan?`vroeg hij. ' ik bad tot god dat ik eindelijk iets te eten zou hebben en toen viel die zак op mijnb hoofd.` antwoord de jongen.
De duitser ziet een kind die huilt langslopen. `waarom huil jij?` vraagt hij. ' Ik had net een fiets gestolen en toen viel er een baksteen uit de lucht, god straft meteen`, antwoord de jongen.
Als de nederlander later een giechelend meisje langs ziet lopen vraagt hij:`Waarom ben jij zo aan het giechelen?' Antwoord het meisje:
'Ik liet net een scheet en toen ontplofte er achter mij een huis.