Leander en Carolien lopen op straat. Onderweg zegt Leander: ‘Ik droomde vannacht dat ik naar de kermis ging. Wat heb jij gedroomd?’ Carolien: ‘Ik droomde dat ik een feestje gaf en jou niet uitnodigde.’ Leander: ‘Wat flauw, waarom niet?’ Antwoordt Carolien: ‘Jij was toch naar de kermis?’
Leander en Carolien lopen op straat. Onderweg zegt Leander:
‘Ik droomde vannacht dat ik naar de kermis ging. Wat heb jij gedroomd?’
Carolien:
‘Ik droomde dat ik een feestje gaf en jou niet uitnodigde.’
Leander:
‘Wat flauw, waarom niet?’
Antwoordt Carolien:
‘Jij was toch naar de kermis?’