Robin: “Als je Simon een viool geeft als kerstcadeau, dan wil ik een fiets.” Mama: “Waarom?” Robin: “Dan kan ik er vandoor gaan wanneer hij begint te oefenen op zijn viool.”
Robin:
“Als je Simon een viool geeft als kerstcadeau, dan wil ik een fiets.”
Mama:
“Waarom?”
Robin:
“Dan kan ik er vandoor gaan wanneer hij begint te oefenen op zijn viool.”