Jurgen, een man van middelmatige leeftijd, werd op een dag wakker met een onmenselijke kater. Het eerste wat hij ziet is een glas met water naast zijn bed en enkele aspirientjes. Hij slikt die in, en ziet dan al zijn kleren netjes over de stoel hangen, propertjes gewassen, gestreken. De rest van de kamer is ook heel netjes. Hij gaat naar beneden, waar een briefje ligt van zijn vrouw Sandra: Schatje, ontbijt staat klaar in de keuken. Ik ga boodschappen doen, ik hou van je.
Jurgen gaat naar de keuken, en vindt er zijn dochter aan de ontbijttafel. En ja hoor: er staat een uitgebreid ontbijt klaar voor Jurgen, met de krant erbij. Jurgen vraagt aan zijn dochter:
"Wat is er gisteren eigenlijk gebeurd?"
"Wel, pa", is het antwoord, "jij kwam om 3 u vannacht thuis, stomdronken. Je brak een vaas, hebt overgegeven in de hall, en je hebt jezelf een blauw oog bezorgd toen je tegen de deur liep."
"Oei", denkt Jurgen. "Maar waarom is alles dan zo netjes, en waarom heeft je moeder mijn ontbijt klaar gemaakt, was ze dan niet boos?"
"Ach, mama heeft je naar de slaapkamer gesleept, en ze wou je uitkleden, maar toen ze aan je broek stond te sjorren om die uit te trekken lulde je iets van 'laat mij met rust, ik ben getrouwd..'"